Je cyclus is onregelmatig, je hebt acne of meer haargroei, op een echografie zijn veel follikels te zien of je bloedonderzoek toont verhoogde androgenen. Dan valt soms heel snel het woord PMOS. Maar zo eenvoudig is het niet altijd…
Er bestaat geen enkele bloedwaarde, echografie of test die alleen op zichzelf kan aantonen dat je PMOS hebt. Bovendien kunnen verschillende hormonale verstoringen tijdelijk een beeld in je bloedonderzoek geven dat sterk op PMOS lijkt. Goed onderzoek gaat daarom verder dan zoeken naar één afwijkend beeld of één afwijkende waarde. Het gaat over verschillende puzzelstukken verzamelen, andere mogelijke verklaringen uitsluiten en vooral: ze correct naast elkaar leggen.
De diagnose PMOS: drie belangrijke puzzelstukken
In de internationale richtlijnen wordt aangewezen om voor de diagnose van PMOS naar drie belangrijke kenmerken te kijken.
Een eerste is de ovulatie: bij PMOS vindt de eisprong onregelmatig plaats of blijft deze uit. Dat kan zich bijvoorbeeld tonen in langere, sterk wisselende of uitblijvende menstruatiecycli.
Een tweede kenmerk waar naar gekeken wordt is het hyperandrogenisme: dat betekent een verhoogde invloed van onze mannelijke hormonen. Die kan zichtbaar worden in bloedonderzoek, maar het kan ook puur klinisch aanwezig zijn, bijvoorbeeld door uiting van acne, overbeharing of haaruitval.
Een derde is een polyfolliculair beeld op echografie van de eierstokken. Dat wordt volgens de richtlijnen ook het best onderzocht via een transvaginale (inwendige) echografie. Wat daarbij zichtbaar is, zijn geen cysten, zoals de vroegere naam PCOS deed vermoeden, maar meerdere onrijpe eiblaasjes
Minstens twee van die drie kenmerken moeten aanwezig zijn om aan de diagnostische criteria te voldoen, en dus om van PMOS te kunnen spreken. Maar zelfs dan ben je er nog niet. Andere mogelijke oorzaken die een gelijkaardig beeld kunnen veroorzaken, moeten eerst worden uitgesloten. Ook dat wordt in de internationale richtlijnen aangegeven, maar dat laatste is iets die in de praktijk niet altijd gebeurt.
Bloedonderzoek, echografie en je cyclus: elk vertelt een ander stukje
Bloedonderzoek kan helpen om onder andere je mannelijek hormonen en andere hormonale of metabole parameters in kaart te brengen. Maar een bloedwaarde kan niet gezien worden als een heilige graal. Het moment in je cyclus waarin je onderzoek wordt afgenomen, inname van bepaalde medicatie of supplementen, hormonale anticonceptie en onderliggende problemen kunnen allemaal invloed hebben op wat je meet.
Een echografie kan dan weer tonen hoe de eierstokken eruitzien en of er een polyfolliculair beeld aanwezig is. Maar ook daar zit een belangrijke valkuil: een polyfolliculaire eierstok is niet hetzelfde als PMOS. Je kunt zo’n echobeeld hebben zonder het syndroom te hebben, net zoals je PMOS kunt hebben zonder dat typische beeld.
Ook je eigen cyclusverhaal doorheen de tijd (dus vanaf je eerste menstruatie tot nu) vertelt heel erg veel over je klachten en de onderliggende mogelijke oorzaak. Hou oud was je toen je begon met menstrueren? Hoe lang duurden je cycli toen en hoe lang duren ze nu? Ovuleerde je regelmatig en hoe weet je dat zeker? Hoe verliep je cyclus vóór je ooit met hormonale anticonceptie startte, en hoe is je cyclus bij het stoppen met bepaalde anticonceptie gewijzigd? Waarom ben je ooit met de pil begonnen? Wat gebeurde er toen je ermee stopte? Welke klachten waren er toen al en welke kwamen pas later? Soms vertelt een goede tijdslijn meer dan je op het eerste gezicht zou denken, zeker indien je al deze zaken naast je andere onderzoeken en je huidige cyclus- of klachtendagboek kan leggen.
Maar… Een beeld die lijkt op PMOS, is nog geen PMOS met absolute zekerheid. Dit onderscheid vind ik bijzonder belangrijk. Je kunt namelijk een PMO-beeld hebben zonder dat er sprake is van het syndroom. Je cyclus kan ontregeld zijn, je kunt tijdelijk niet ovuleren, androgenen kunnen tijdelijk verhoogd staan (of langdurig verhoogd staan omwille van een andere reden) of je eierstokken kunnen op echografie polyfolliculair ogen omwille van een andere hormonale klier die in de knoei zit. Die kenmerken kunnen allemaal sterk lijken op PMOS, terwijl er iets anders speelt. Dat zien we bijvoorbeeld na het stoppen met hormonale anticonceptie. Het lichaam moet opnieuw zelf de hormonale communicatie en cyclus opnemen die lange tijd van buitenaf werd gestuurd. Dat herstel verloopt niet bij elke vrouw even snel. Een tijdelijk ontregelde cyclus op 3 maand na de pilstop onmiddellijk PMOS noemen, kan daarom te kort door de bocht zijn.
Het omgekeerde kan uiteraard ook: PMOS kan jarenlang gemist worden. Daarom is de vraag niet alleen: voldoe je vandaag aan een aantal criteria? Minstens even belangrijk is: hoe is al die jaren je volledig hormonaal verhaal geëvolueerd en hoe vertaalt zich dat in je klachten vandaag?
PMOS is een hormonaal-metabool syndroom en net daarom kan onderzoek breder worden wanneer daar aanleiding toe is. In mijn boek bespreek ik onder andere insulineresistentie, schildklierfunctie, bijnieren, prolactine en chronisch laaggradige ontsteking als mogelijke factoren die mee het hormonale landschap kunnen beïnvloeden. Dat betekent niet dat iedere vrouw zomaar elk denkbaar onderzoek moet laten uitvoeren. Meer testen betekent niet automatisch beter onderzoek. De kunst zit net in gericht onderzoeken. Welke klachten zijn aanwezig? Wat vertelt de cyclus? Welke waarden zijn al onderzocht? Wanneer werden ze bepaald? Gebruikte je op dat moment medicatie of hormonale anticonceptie? Welke andere verklaringen moeten worden uitgesloten? En welke bijkomende onderzoeken zijn op basis daarvan relevant?
Je onderzoeksresultaten worden daarnaast ook altijd het best geïnterpreteerd door een zorgverlener die werkelijk diepgaande kennis heeft van het hormonale systeem. Een zorgverlener die het verschil niet kent tussen een PMO-beeld en PMOS, zal nooit het onderscheid maken.
Zelf aan de slag: bereid je onderzoek naar PMOS voor
Een goed onderzoek begint niet pas wanneer je in de stoel bij je zorgverlener zit. Hoe beter je je eigen verhaal in kaart hebt gebracht, hoe gemakkelijker het wordt om patronen te herkennen, gerichte vragen te stellen en onderzoeksresultaten binnen de juiste context te bekijken.
Stap 1. Maak een cheat sheet voor je afspraak
Schrijf vooraf je drie belangrijkste klachten en drie belangrijkste vragen op. Zo voorkom je dat je tijdens je afspraak overspoeld raakt door informatie en buitenstapt met nét die ene belangrijke vraag nog in je hoofd.
Stap 2. Maak een tijdslijn van je menstruatie- en anticonceptiegeschiedenis
Wanneer kreeg je je eerste menstruatie? Hoe verliepen je cycli vroeger? Wanneer begon je met hormonale anticonceptie, waarom begon je ermee en wat veranderde er? Noteer ook wanneer je stopte en wat er daarna met je cyclus en klachten gebeurde. Zeker bij PMOS kan die voorgeschiedenis belangrijke informatie bevatten.
Stap 3. Houd een cyclusdagboek bij
Heb je momenteel een natuurlijke cyclus? Houd dan gedurende je cyclus bij wat er gebeurt. Noteer niet alleen wanneer je menstrueert, maar ook veranderingen in klachten en mogelijke signalen rond je ovulatie. Zo ontstaat er veel meer informatie dan alleen: mijn cyclus duurt zoveel dagen.
Stap 4. Breng ook je levensstijl in kaart
Voeding, beweging en slaap maken eveneens deel uit van het verhaal. Houd gedurende een periode bij wat en wanneer je eet, hoeveel en hoe je beweegt en hoe je slaapt. Het doel is niet om alles wat je doet te beoordelen, maar om zicht te krijgen op patronen die anders gemakkelijk verloren gaan.
Je hoeft daarvoor trouwens niet met een leeg blad te beginnen. Op de pagina over PMOS vind je bij de gratis downloads verschillende invulfiches die je hiervoor kunt gebruiken. In het boek PMOS ontcijferd leg ik veel uitgebreider uit hoe je deze informatie verzamelt, wat je ermee kunt doen en hoe je ze kunt meenemen naar je zorgverlener.